Naar de pagina index

Woordenboek

In het ziekenhuis zijn de dingen anders dan thuis. Ook hoor je in het ziekenhuis veel moeilijke woorden. Hier lees je wat die moeilijke woorden betekenen.

Afdelingssecretaresse

In het ziekenhuis werkt op elke afdeling een secretaresse. Als de telefoon gaat, neemt zij op. Ook maakt ze afspraken met jouw papa, mama of verzorger over wanneer je naar de dokter moet. En ze vertelt de dokters voordat je op bezoek komt alvast wie jij bent.

Anesthesioloog

Een dokter doet altijd de operatie. Maar je moet natuurlijk wel slapen als je geopereerd wordt. Daarvoor is de speciale slaapdokter. Die noemen we met een moeilijk woord: anesthesioloog. Deze dokter heeft een hulpje of assistent, de anesthesieassistent. De slaapdokter en de assistent zorgen ervoor dat je niet wakker wordt tijdens de operatie. En ze zorgen ervoor dat je van de operatie niets voelt.

Bed in een ziekenhuis

De bedden in een ziekenhuis zijn anders dan je eigen bed thuis. Een ziekenhuisbed heeft wieltjes. Dat is lekker makkelijk. Wat zo kunnen de zusters je overal naartoe rijden. Bijvoorbeeld naar de operatiekamer. Ook kun je het bed in verschillende standen zetten. Omhoog, omlaag of rechtop: dat is handig als je wilt lezen of eten.

Bloedprikken

De dokter kan aan je bloed zien of je ziek bent. Daarom is het soms nodig om bloed te prikken. Een zuster prikt dan met een dunne naald in je arm. Je bloed gaat door de naald naar een buisje. Een prikje is niet leuk. Soms doet het een beetje pijn. Daarom krijg je een toverpleister of toverspray op je arm. Dan voel je de prik minder goed.

Box

Er zijn kamers waar maar één kind ligt. Zo’n kamer noemen we een box. Moet jij alleen op een kamer liggen? Dan is dat omdat je misschien andere kinderen ziek kunt maken. Of omdat andere kinderen jou snel ziek kunnen maken. Soms moet dan de deur van de kamer dicht blijven. En heel soms heeft een box twee deuren achter elkaar. Als de ene deur open is, moet de andere deur dicht blijven. De dokters en de zusters die op de kamer komen, doen een extra jas aan. En soms ook een muts op, handschoenen aan en een mondkapje voor. Ze zien er dan best gek uit; misschien herken je ze bijna niet! Je hoeft in een box heus niet altijd alleen te liggen. Ben je jonger dan 15 jaar? Dan mag je papa, mama of verzorger ook blijven slapen. We zetten dan een extra bed op de kamer.

Dokter

De dokter is de meneer of mevrouw die je beter kan maken als je ziek bent. De dokter praat met jou en wil van alles van je weten. Bijvoorbeeld hoe groot je bent, hoeveel je weegt en hoe snel je hart klopt. De dokter kijkt hoe hij je beter kan maken. Dat is niet voor alle kinderen hetzelfde. Soms krijg je pilletjes of een drankje. Maar soms moet je ook een operatie. Of je mag sommige dingen niet eten. In het ziekenhuis werken heel veel dokters. Elke dokter weet heel veel van een bepaald deel van je lichaam. Bijvoorbeeld van je botten, van je ogen, of van je hart. Deze dokters noemen we specialisten.

Dossier

Alles over je gezondheid en de onderzoeken die je hebt gehad zetten de dokters en zusters in de computer op wielen. Ook zetten ze in de computer hoe ze je beter maken. Al deze informatie gaat in een digitale map. Deze map heet een elektronisch dossier. Je spreekt het uit als ‘dosjee’.

ECG

De drie letters van ECG staan voor elektrocardiogram. Dat is een heel moeilijk woord voor een filmpje van je hart. Dat filmpje is geen echt filmpje. Het is eigenlijk een tekening van een lijn die omhoog en omlaag gaat. De dokter ziet aan deze tekening of je hart goed klopt. Moet jij een filmpje van je hart laten maken? Dan worden er draadjes op je lichaam vastgemaakt. Daarvoor krijg je een gel en kleine zuignapjes op je huid. En soms een kleine pleister om de zuignapjes goed vast te plakken. Je voelt er niets van. En een hartfilmpje maken duurt niet zo lang.

EEG

De drie letters van EEG staan voor elektro-encefalogram. Dat is een supermoeilijk woord voor een filmpje van je hersenen. Met dit filmpje kan de dokter zien of je hersenen goed werken. Moet jij een filmpje van je hersenen laten maken? Dan krijg je een soort badmuts op. Aan die badmuts zitten draadjes. Die draadjes zitten vast aan een apparaat. Dat apparaat maakt het filmpje. De badmuts moet wel goed op je hoofd vastzitten. Daarom krijg je een beetje gel op je hoofd. Daarna drukt de dokter of zuster de muts goed aan. Dat voelt een beetje alsof iemand op je hoofd krabt. Als ze het filmpje maken, vraagt de dokter of zuster aan jou om wat dingen te doen. Bijvoorbeeld je ogen open of dicht doen. Ook knipperen ze met een lamp. Een filmpje maken van je hoofd duurt ongeveer 45 minuten.

Eerste hulp

De eerste hulp in het ziekenhuis heet zo omdat het de allereerste hulp is die je in het ziekenhuis krijgt. Iemand die een ongeluk heeft gehad of is gevallen wordt meestal naar de eerste hulp gebracht. Op de eerste hulp wordt de gewonde persoon goed onderzocht. Bij de eerste hulp werken dokters die heel veel verstand hebben van bijvoorbeeld een kapotte knie, een gebroken been of een hersenschudding. Deze dokters zijn ook midden in de nacht in het ziekenhuis. Dat is handig, want ‘s nachts kunnen er ook ongelukken gebeuren.

Eten

Soms blijf je een paar nachtjes in het ziekenhuis slapen. En dan moet je natuurlijk ook eten. Net als thuis. Alleen nu smeert je papa, mama of verzorger je boterhammen niet. Dat doet iemand anders. Bij het ontbijt en het middageten krijg je lekkere boterhammen. En ’s avonds krijg je warm eten.
Soms mag je van de dokter niet zomaar alles eten. Dat is om sneller beter te worden. Dan krijg je iets anders te eten. Dat noemen we een dieet.

Glucose

Glucose is een moeilijk woord dat je veel hoort in een ziekenhuis. Glucose is een ander woord voor suiker. Dat is andere suiker dan de suiker die je in je thee doet. Het is de suiker die je lijf uit je eten haalt. Van die suiker krijg je energie. En dat is belangrijk om beter te worden.

Hartecho

Hartecho is een heel moeilijk woord. Maar als je het los schrijft, wordt het makkelijker: ‘hart echo’. Maar wat is een hartecho? De dokter kijkt dan hoe je hart werkt. Dat kan de dokter niet zomaar. Daarvoor is er een speciaal apparaat: een echoapparaat. Dat is een soort computer. De dokter plakt draadjes op je borst en die draadjes gaan naar die computer. Om de draadjes op te plakken, krijg je een beetje gel op je borst. Dat doet geen pijn. Als de computer aanstaat, ziet de dokter je hart op het beeldscherm.

Infuus

Een infuus is een plastic zakje dat omgekeerd aan een kapstok hangt. In dat zakje zit meestal speciaal water of medicijnen. Aan dat zakje zit een slangetje. Dat slangetje zit met een naaldje in je arm. Daarvoor heb je dus een prikje nodig. Maar daarvoor krijg je gelukkig een speciale toverpleister. Zo voel je er bijna niets van. Het slangetje moet wel goed vastzitten. Daarom plakt de zuster er een grote pleister op. Ook doet ze er wat verband omheen. Verband hebben we in allerlei kleuren. Een infuus is handig om mensen medicijnen te geven als ze slapen. Maar een infuus is ook handig als je elke dag veel medicijnen moet nemen.

Lichamelijk onderzoek

Bij een lichamelijk onderzoek kijkt de dokter of alles in je lijf het nog goed doet. De dokter vraagt eerst aan jou en je papa, mama of verzorger hoe het met je gaat. De dokter wil namelijk weten of je ziek bent. Misschien heb je wel ergens een beetje pijn. Daarom gaat de dokter je goed nakijken. Soms moet je dan wat kleren uittrekken. Anders kan de dokter niks zien. De dokter wil ook weten hoe lang je bent, en hoe zwaar je weegt. Met een soort koptelefoon luistert de dokter naar je hart en je longen. Het kan ook zijn dat je een testje moet doen. Bijvoorbeeld over een streep lopen of op één been blijven staan.

Als de dokter klaar is met het onderzoek, vertelt hij jou of alles nog goed werkt of dat er iets niet goed werkt. Soms vertelt de dokter dat je nog een foto moet laten maken of een beetje bloed moet prikken. En vergeet niet: je mag alles aan de dokter vragen. En als je een beetje bang bent, mag je dat ook zeggen. Dan is de dokter extra vriendelijk voor je. Let maar op! 

Medicijnkar

In het ziekenhuis zijn heel veel mensen die pilletjes moeten slikken of drankjes moeten drinken. Dat noemen we medicijnen. Medicijnen zijn er om mensen beter te maken. De zuster brengt alle medicijnen naar de zieke mensen.

Operatieafdeling

Soms moet de dokter je opereren om je beter te maken. Dat doet de dokter in de operatiekamer. Die kamer is op de operatie afdeling. Daar is alles wat nodig is voor operaties. Misschien ben je er al eens geweest. In de operatiekamer staat een operatietafel met een hele grote lamp. Zo kan de dokter alles goed zien. Ook zie je er een televisie en een computer. Op de operatietafel zit je met draadjes aan die computer vast. Op de televisie kan de dokter dan van alles zien. Bijvoorbeeld hoe snel je hart klopt.

Operatieassistent

De dokter is de meneer of mevrouw je opereert en beter maakt. Maar dat kan de dokter niet alleen. Daarvoor is een speciale hulp. Dat is de operatieassistent. De assistent geeft bijvoorbeeld de spullen aan de dokter voor de operatie.

Otoscoop

De orendokter heeft een otoscoop. Dat is een soort vergrootglas met een lampje. Met dat vergrootglas kan de dokter in je oor kijken. In het oor is het een beetje donker. Daarom zit er een lampje op.

Pleisters

Pleisters ken je natuurlijk allang. Je hebt vast al veel pleisters op je knie gehad. Maar wist je dat er in het ziekenhuis heel veel soorten pleisters zijn? Ze zijn er in alle soorten en maten. Er zijn speciale pleisters voor na een operatie. De pleister zit dan op de plek waar de dokter de snee heeft gemaakt. En als je een ongeluk(je) hebt gehad, moet je soms ook naar het ziekenhuis. Dan moet de dokter of zuster misschien wel een wondje dichtmaken. Daarvoor is een speciale hechtpleister. Door die pleister groeit het wondje weer mooi dicht.

Verpleegkundige

De verpleegkundige vind je overal. Op de verpleegafdeling, de polikliniek, de dagopname en op de eerste hulp.

Als je in het ziekenhuis moet blijven, zorgt de verpleegkundige voor je. Hij/zij vraagt hoe het met je gaat. Als het nodig is, helpt de verpleegkundige met wassen en aankleden. Zet pillen voor je klaar of doet verband om.