Logo, terug naar Home

Dikkedarm- en prostaatkanker: op het snijvlak van huisarts en specialist

  • 13 augustus 2018
  • Nieuwsberichten, Klaarkomen, Kanker, Prostaatkanker, Studie, Seks, Patiënt

Zorg die steeds complexer wordt, een groter kennisaanbod en een steeds mondiger patiënt die meer onderdeel wil uitmaken van zijn eigen behandelplan: door deze én meer aspecten speelt de huisarts een onmiskenbare rol rondom de oncologiepatiënt van nu. Hiermee beet Emile Voest, medisch directeur van het Antoni van Leeuwenhoek (AVL), het spits af tijdens het huisartsensymposium over darm- en prostaatkanker dat dinsdag 19 juni plaatsvond. Een aantal oncologen uit het AVL en onco-seksuoloog Woet Gianotten presenteerde onderzoeksresultaten die ook van belang zijn voor de praktijk van de huisarts.

Tijdens het symposium bleek dat weinig huisartsen de seksuele gevolgen van darm- en prostaatkanker met de patiënt bespreken. “Een gemiste kans,” zei Woet Gianotten, seksuoloog gespecialiseerd in onco-seksuologie: “Seks is niet alleen belangrijk voor de kwaliteit van leven, intimiteit en seks helpen ook bij het proces van herstel. Bovendien verbetert adequate aandacht voor het seksleven het contact met de patiënt. “De cijfers liegen er niet om: afhankelijk van hoe belangrijk seks is, het soort kanker, het soort behandeling en de aanpak van de zorgverlener, ondervindt tussen de veertig en honderd procent van de patiënten en hun partners schade aan intimiteit en seksualiteit. Met soms grote gevolgen, zoals depressiviteit en stuklopen van de relatie. “Uitleggen dat schade aan het seksleven ook een gevolg is van de aandoening, maakt voor de meeste patiënten al een groot verschil,” zei Gianotten: “En dat er vaak ook iets aan gedaan kan worden.” Aan de hand van studies liet de seksuoloog zien dat seksuele schade per aandoening verschilt. Zo vergroten chirurgie en radiotherapie bij darmkanker bij de man de kans op erectie- en ejaculatieproblemen en bij de vrouw lubricatieproblemen (de vagina wordt niet vochtig genoeg bij gemeenschap) en eierstok gerelateerde schade. Het hebben van een stoma, zo legde Gianotten uit, kan enorm belastend zijn voor het seksleven. “Als je klaarkomt, stijgt het zogenoemde knuffelhormoongehalte sterk, waardoor de bewegingen van de darm toenemen. Normaal zorgt de kringspier van de anus ervoor dat er dan geen ontlasting vrijkomt. Het colostoma mist zo’n kringspier en dus loopt het stomazakje dan vol. Dat leidt tot onrust en onzekerheid. Hier is weinig aan te doen, maar je kunt het in ieder geval bespreken."

Veranderend sexleven

Gianotten liet de gevolgen van prostaatkankerbehandelingen op het seksleven zien: Zo hebben patiënten na radicale prostatectomie erectieproblemen, anejaculatie en last van incontinentie. “Het laatste is bij orale seks vervelend tijdens het klaarkomen,” zei Gianotten: “Overigens is dit makkelijk te voorkomen met een stuwbandje. Elke huisarts kan zo’n advies geven.” Na radiotherapie zijn de gevolgen ongeveer hetzelfde als bij chirurgie, maar daar komt bij dat mannen vaak niet meer kunnen ejaculeren, pijn hebben tijdens het orgasme en blaas- en darmproblemen hebben. De gevolgen van bestraling met hormoontherapie zijn nog uiteenlopender, met daarbij ook minder zin hebben in seks en minder energie hebben. Gianotten vertelde dat de erectiefunctie bij zenuwsparende behandeling na anderhalf jaar weer hersteld kan zijn, mits de patiënt in de tussenperiode wel geforceerd erecties probeert te krijgen, bijvoorbeeld met behulp van een vacuümpomp of injecties. Dat voorkomt de ontwikkeling van bindweefselvorming in het zwellichaam van de penis. De rol van de huisarts, zo besloot Gianotten, is cruciaal: “Door er te zijn, te luisteren en eventueel oplossingen aan te reiken, kun je als huisarts eraan bijdragen dat de patiënt kan leven met zijn veranderde seksleven.”

Prokeus-studie

Vanwege seksuele, maar ook andere bijwerkingen, heeft onder leiding van het AVL en het UMC Utrecht, een aantal ziekenhuizen in Nederland meegedaan aan de Prokeus-studie. Het doel was om toekomstige patiënten met gelokaliseerde prostaatkanker beter te kunnen ondersteunen bij het kiezen van een behandeling. Uit de studie bleek dat weinig prostaatkankerpatiënten weten dat de kans op een terugval vergelijkbaar is voor operatie en radiotherapie. Meer dan de helft wist niet wat de verschillen in bijwerkingen zijn. Veel mannen wisten niet dat een groot deel van de mannen dat actief wordt gevolgd, nooit een behandeling nodig heeft. Heel weinig mannen wisten dat vrijwel niemand dood gaat aan gelokaliseerde prostaatkanker. “Wat de oorzaken van deze misvattingen ook zijn,” zo vertelde Marie Anne van Stam, onderzoeker bij het AVL, “de conclusie is dat informatie hierover niet helder is.” Om die reden hebben het AVL en het UMC Utrecht een toegankelijk boekje uitgebracht waarin alle behandelingen en bijwerkingen staan. Om patiënten nog beter te kunnen helpen bij het kiezen van de meest geschikte behandeling, is het Prokeus-team inmiddels gestart met verder personaliseren van deze informatievoorziening. In het AVL gebeurt dit al, vertelde AVL verpleegkundig specialist Erik van Muilekom. “Op basis van vragenlijsten hebben we al goed zicht op de status van de patiënt. En aan de hand van de diagnose kunnen we kijken wat mogelijke bijwerkingen zijn. Zo weten we dat bij chirurgie de mate van erectieproblemen gerelateerd is aan het aantal zenuwbanen die rond de prostaat aangetast wordt. Ook dat bij MRI-geleide punctie de kans op incontinentie groter is als er minder van de plasbuis bespaard kan blijven. Op basis van al deze informatie begeleiden we de individuele patiënt bij het maken van een weloverwogen beslissing.”

Screening

Eerder op de avond had uroloog Henk van der Poel de aanwezige huisartsen gevraagd of screening bij prostaatkanker zinvol is. Het unanieme negatieve antwoord werd door hem bevestigd. Dat terwijl mannen ongeveer net zo’n grote kans hebben op het krijgen van prostaatkanker als vrouwen borstkanker (een op de tien) en ongeveer net zo’n grote kans hebben eraan te overlijden als vrouwen aan borstkanker (1 op de 27). De conclusie van de Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) om screening niet aan te moedigen, is deels omdat de groep mannen met prostaatkanker relatief oud is. Daarnaast lijdt het merendeel aan lokaal beperkte prostaatkanker; deze tumor groeit langzaam en hoeft in veel gevallen niet actief behandeld te worden. Van der Poel: “Misschien wel de belangrijkste reden om screening te ontraden, is dat uit de gecombineerde Europese- en Amerikaanse onderzoeksuitkomsten blijkt dat van de duizend gescreende mannen er misschien één dode aan prostaatkanker mee kan worden voorkomen.” Toch zijn er een aantal uitzonderingen: mannen die een vader of broer met prostaatkanker hebben, hebben een dubbel zo hoog risico om de aandoening te krijgen. Bovendien is hun risico aan prostaatkanker te overlijden ook groter als er een familielid aan is overleden. Dat risico gaat naar zeven keer zo hoog als vader én broer eraan zijn overleden. Deze mannen moeten, zo stelde Van der Poel, in ieder geval geïnformeerd worden over de voor- en nadelen van screenen. Aan de hand van een risico-calculator kan dan worden gekozen voor prikken op PSA, een biopt, of (MRI-geleide) prostaat puncties. Op basis van de uitkomst kan vervolgbeleid worden bepaald: beperkte, of juist regelmatige controle, of overgaan tot behandelen. “Wat de beste optie is, hangt van de individuele situatie én wensen van de patiënt af. Goede controle is in alle gevallen aan te bevelen. De overleving na prostaatkanker was in een grote gerandomiseerde studie gelijk voor mannen die afwachtten in vergelijking met een actieve behandeling, zoals bestralen of opereren. Wel hadden de mannen die niet direct behandeld werden een meer dan twee keer zo hoog risico op uitzaaiingen na tien jaar.”

Colonoscopie

Dat screening bij darmkanker wél meerwaarde heeft, liet MDL-arts Monique van Leerdam zien aan de hand van de eerste onderzoeksgegevens uit het landelijke bevolkingsonderzoek (BVO) darmkanker. Sinds de start in 2014 doet jaarlijks zo’n driekwart van de mensen die worden uitgenodigd, eraan mee. Zo’n vijf procent hiervan wordt positief getest en hiervan ondergaat ruim tachtig procent een colonoscopie, een endoscopisch onderzoek van de dikke darm. Tot nu toe werd bij iets meer dan de helft van deze groep een kwaadaardige tumor gevonden, in tien procent van deze gevallen is sprake van dikkedarmkanker. Het goede nieuws, zo zei Van Leerdam die betrokken was bij de totstandkoming van dit bevolkingsonderzoek, is dat de meeste van deze tumoren zich in het beginstadium bevinden. Dat is precies waar het BVO op mikt: deze patiënten hebben nog geen klachten en de huisarts zou ze dus ook niet hebben gezien. “Op basis van berekeningen gingen we er vooraf van uit dat we met het BVO een reductie van darmkanker-gerelateerde mortaliteit zouden realiseren van jaarlijks zo’n 1400 tot 2400 patiënten. De vijfjaars overleving van darmkanker zou verbeteren van 65 procent naar 85 procent. Het is nog te vroeg om harde conclusies te trekken, maar op basis van de huidige resultaten lijkt deze verwachting uit te komen.” Het neemt overigens niet weg dat rondom het bevolkingsonderzoek punten van verbetering zijn: zo is de opkomst lager bij mensen met een laag sociaal economische status, terwijl bij deze groep relatief vaker darmkanker voorkomt. Bovendien ondergaat nog steeds zo’n twintig procent van degenen die positief getest zijn, geen colonoscopie. De verklaring is dat een aantal buiten de screeningscentra colonoscopie laten doen, een aantal dit onderzoek al had ondergaan en bij een deel sprake is van . Maar, en dat vond Van Leerdam verontrustend genoeg om te delen: een aantal ziet een colonoscopie niet zitten of wil zijn eigen risico van de zorgverzekering er niet op aanspreken. “Daar valt nog zeker winst te behalen.”

Bron: Farma-magazine.nl

Stel direct uw vraag aan een arts!